donderdag 9 augustus 2012

De Boekhouders van de Holocaust

2011: De Boekhouders van de Holocaust: de medewerking van de Nederlandse ambtenaren aan de bevolkingsboekhouding en registratie van de Joden in 1941. De uitvoering van Verordening 6/1941; doctoraalscriptie UvA. Proloog Hans was een Duitse jongen van 12 jaar en 10 maanden oud toen hij werd aangemeld bij de gemeente Amsterdam met een ‘Aanmeldingsformulier voor één persoon die geheel of gedeeltelijk van joodschen bloede is (Verordening 6/1941)’. Het formulier was met machineschrift ingevuld en door de invuller gedateerd op 21 februari 1941. Alleen de handtekening van Hans was met de hand geschreven in een keurig leesbaar handschrift. Volgens een stempel van de gemeente Amsterdam was het formulier ingekomen op 21 maart 1941. Zijn woon- of verblijfplaats was volgens een stempel bij vraag 3 het ‘N.I. Jongensweeshuis Megadle Jethomim’, Amstel 21. Als kerkelijke gezindte was ingevuld Isr. en met potlood is daarna de N van Nederlands bijgeschreven. Een behulpzame ambtenaar? Zijn beroep was schooljongen en onder vraag 8, waar gevraagd werd of Hans op 9 mei 1940 behoorde tot de ‘Joodsch-kerkelijke gemeente’ was met machineschrift ingevuld ‘onbekend’. Daar ging een vette potloodstreep door en bij de keuze ja/nee werd met potlood het ‘nee’ doorgestreept. Hans werd hiermee lid van de joodsch-kerkelijke gemeente gemaakt, vóór 9 mei 1940, de dag voor de inval van de Duitsers. Bij vraag 9 naar het aantal joodsche grootouders, vermeldde het machineschrift wederom ‘ onbekend’ en ook daar ging een potloodstreep door en hetzelfde potlood gaf Hans 4 joodsche grootouders. Hans werd met al deze veranderingen een voljood en kreeg een J op zijn formulier. Het potlood van de ambtenaar, die als paraaf signeerde met een gestempeld 22, zou Hans noodlottig worden. Het zelfde potlood van de gemeenteambtenaar gaf ook aan dat de Leges van 1 gulden voldaan was, een bedrag dat ter plekke werd geïnd bij aanmelding. Maar dat potlood zei niets over de bedoelingen of de motivatie van de ambtenaar. Tot 27 augustus 1941 kwamen op die manier bij de Rijksinspectie 160.790 Aanmeldingsformulieren uit het gehele land binnen en leverden de volgende oogst op: 140.522 voljoden, 14.549 halfjoden en 5.719 kwartjoden. De formulieren waren gereed voor verdere verwerking op een papieren traject dat ten slotte zou eindigen op een spoor van ijzer. De voljoden waren voor de nazi’s: 102.000 Joodse burgers werden vermoord. Nederland had bij het einde van de oorlog met 73% het hoogste dodenpercentage van alle bezette West-Europese landen. Diverse ambtenaren hadden met pen en potlood een aantal burgers, vrouwen en kinderen, doelbewust aan het predicaat ‘Jood’ geholpen. Andere ambtenaren turfden alles. Selecteerden op plaatsnaam en alfabet, maakten statistieken en lijsten voor de Duitsers. Wederom is hier over de motieven niets te zeggen, behalve dat de een met een potlood streepte of met een pen schreef. Van de bijna 100 jongens en drie verzorgers van het weeshuis Megadle Jethomim, die in 1943 werden weggevoerd naar Sobibor heeft niemand de oorlog overleefd.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen